UA-110170844-1
Afscheid zonder begrafenis
Over rouwen vóór de dood
Over narcisme en schizofrenie

 

Fragment (p. 83 – 86)

11    Eenzaamheid en ‘de buitenwereld’

In deze eerste drie maanden van 1996 ontstond er bij mij een diep geworteld gevoel van eenzaamheid, dat ik niet eerder kende. Ondanks mijn rijke sociale leven ontmoette ik veel onbegrip in ‘de buitenwereld’. Ik praatte veel met iedereen over wat ons in korte tijd als gezin was overkomen. Ik schaamde me nergens voor, dus ik vertelde en legde alles uit. Rationeel, open en eerlijk. Al snel merkte ik duidelijke verschillen in reacties van anderen. Het fenomeen suïcide was niet voor iedereen bespreekbaar. Het thema kwam door mijn verhaal soms ongevraagd te dichtbij in andermans leven.  

Moeten reageren zonder te weten hoe. Dat maakte het soms spannend voor mensen in mijn omgeving, ongeacht leeftijd. Het gevolg was stilte, een tijdje geen contact. Of als contact door verjaardagen of een toevallige ontmoeting toch op ons pad kwam, dan werd het onderwerp angstvallig gemeden. Bewust niet vragen hoe het met mij ging en maar blijven doorbabbelen over het eigen leven en over ditjes en datjes. Dat was een pijnlijke gewaarwording en het maakte me boos. Zeker als volwassenen dat vermijdende gedrag vertoonden. Van hen verwachtte ik meer moed. Ik had niet gevraagd om deze gebeurtenissen, ik kreeg er ook geen instructie bij over hoe ik hiermee verder moest. Ik vroeg alleen openheid, een luisterend oor en de moed om over eigen angsten heen te stappen. Niet meer en niet minder. In die tijd had ik niet het lef om dat met zoveel woorden ook daadwerkelijk te zeggen. Maar ik dacht het wel.  

Dat verschil in reactie zag ik ook bij mijn vrienden en vriendinnen onderling. De één was beter in luisteren en toonde gemakkelijker begrip dan de ander. Lange tijd heb ik gedacht dat alleen diegenen die zelf ook al eens tegenslag hebben gehad, beter kunnen luisteren en beter reageren. Maar uiteindelijk is dat volgens mij niet zo. Ik denk dat empathisch vermogen niet iets is dat je alleen maar opdoet door tegenslag.  

De meeste vrienden en vriendinnen die het moeilijk vonden om te reageren, waren daar tegen mij open en eerlijk over. Ik zei dan dat ík op mijn beurt niet wist hoe ik moest omgaan met wat me was overkomen en dat het dus prima was dat zij niet wisten hoe ze moesten reageren. Zo hadden we toch verbinding, zonder dat ik kreeg waar ik behoefte aan had. Doe maar niet te moeilijk, als je het onderwerp maar niet mijdt. Vermijden vond ik het ergste.  

Soms schoten er natuurlijk wel eens van die clichés door mijn hoofd als ‘in slechte tijden kom je erachter wie je échte vrienden zijn’, maar uiteindelijk kreeg dat bij mij niet de overhand. Vrienden en vriendinnen deden wat binnen hun vermogen lag, daar ben ik van overtuigd. Ik weigerde om te verzuren in de gedachten van eenzaamheid en het feit dat ik niet overal het begrip kreeg dat ik verwachtte. Af en toe werd ik teleurgesteld, toonden mensen zich niet zoals ik had verwacht of gehoopt. Wat ik vooral lastig vond was dat ik niet altijd het juiste gehoor kreeg bij iemand die zelf ook iets ingrijpends had meegemaakt. Eén van mijn studievriendinnen had namelijk een zus die destijds ook een suïcidepoging had gedaan. In plaats van dat we elkaar vonden in het verwerken van die gebeurtenis, was het voor haar niet goed bespreekbaar. Op mij kwam het over alsof zij zich afsloot. Niet alleen voor mij, maar ook voor haar familie. Ze ging kort daarna een vol jaar in Spanje studeren. Dat vond ik toen gek. Maar misschien deed zij het juiste, leefde ze haar eigen leven daar waar ik mezelf misschien teveel wegcijferde?  

Diegenen bij wie ik het minste steun vond, noemde ik mijn feestvriendinnen. Zo ben ik ze voor mezelf gaan onderscheiden van de rest. Maar het ‘afschrijven’ van mensen omdat ik meer van ze had verwacht, ging mij veel te ver. Nieuwsgierig observeerde ik de reactie van anderen, zonder te veroordelen. Dat was niet altijd even gemakkelijk, maar mijn angst voor eenzaamheid was groter. Gaandeweg merkte ik dat ik uitgepraat raakte. De behoefte om feitelijk alleen maar uit te leggen van wat er gebeurde, verminderde. Het drong tot mij door dat het vele rationaliseren en praten mij niet meer hielp bij het vinden van antwoord.  

Antwoord op de grote vraag: ‘Doe ik het zo goed?’ In andere woorden: ‘Verwerk ik deze ingrijpende gebeurtenissen op een goede manier, zodat ik er later geen last van zal hebben?’ Antwoord op die vraag kreeg ik van niemand, ook niet van mijn vriend Jasper. Dat stelde mij in eerste instantie teleur, maar ik realiseerde me ook dat het juist heel respectvol is om precies dát proces aan mijzelf over te laten. Als ik maar op mijn gevoel afging, dan was het altijd goed. Ik besefte dat ikzelf de enige was die kon antwoorden.  

Met het vinden van een nieuwe balans tussen doorgaan waar ik gebleven was met mijn eigen leven en aandacht blijven geven aan het gebeurde. Zo schakelde ik langzaam maar zeker weer over naar de modus van de orde van de dag. Zo kwam het ook dat ik na ruim zes weken in maart 1996 terug ging naar Zweden.